Egbert de Boer (80): ‘Ik
ga gewoon door’
Tekst: Jasper Enklaar
Na zijn emeritaat
heeft Egbert de Boer nooit een afscheidscollege
willen geven. Hij werkte gewoon door. Nog steeds is de audioloog en fysicus
wetenschappelijk actief, ook na een carrière van ruim vijftig jaar. Vrijdag 10
oktober kreeg De Boer voor zijn tachtigste verjaardag een symposium aangeboden.
De mensen die Egbert de Boer van nabij kennen,
schetsen hem als een veelzijdig man. Behalve internationaal vermaard
wetenschappelijk onderzoeker van het gehoor en het auditief systeem, is hij
componist, musicus, haiku-dichter en schilder. Een
poging zo’n veelzijdige man te karakteriseren kan nooit volledig zijn. Een
kenschets in tien trefwoorden.
Radio
‘Met het bouwen van radio’s in de oorlog is alles begonnen. Na een
bombardement in Amsterdam-Noord zijn mijn ouders en
ik met onze boot gevlucht naar Loosdrecht. Mijn vader was een fervent zeiler.
We hebben een tijd in Loosdrecht gewoond. Daar ontmoette ik een jongen, die
radiofanaat was. Hij heeft mij twee jaargangen gegeven van het tijdschrift
Radio Expres. Zo heb ik geleerd om radio’s te bouwen. Daarmee konden we naar de
Engelse zender luisteren. Na de oorlog wilde ik in Delft elektrotechniek gaan
studeren, maar mijn ouders konden het niet betalen als ik op kamers zou gaan.
Later kreeg ik een beurs en met een diploma als radiotechnicus op zak ging ik
naar de universiteit.
Techniek is altijd belangrijk gebleven. Ik bouwde mijn eerste televisie
zelf, net als later een aantal microprocessoren, die ik nodig had voor mijn
onderzoek. Bij techniek heb je een bekend doel voor ogen. Bij wetenschap zie je
dingen die je niet snapt. Daar ga je op af. Wetenschap is nieuwsgierigheid. In
mijn carrière heb ik alle mogelijke onderdelen van de audiologie en het gehoor
bestudeerd. Ik ben me bewust elke paar jaar op een ander veld gaan
concentreren. Zo heb ik bijvoorbeeld vezelmetingen gedaan. Vanuit het binnenoor
gaan vele duizenden gehoorvezels naar de hersenen die een signaal doorgeven.
Die boodschappen heb ik gedeeltelijk kunnen ontcijferen. Ik heb ook mijn
bijdrage geleverd aan de analyse van de eigenschappen van het slechthorende oor
door middel van speciale gehoorproeven.
Gaandeweg, en vooral vanaf mijn zestigste, ben ik mij gaan richten op de
cochleaire mechanica: het bestuderen van de
bewegingen van de membranen en cellen in de cochlea,
het binnenoor, een deel van het slakkenhuis. Tegenwoordig zijn er de cochleaire implantaten [die de functie van defecte
zintuigcellen in het binnenoor kunnen overnemen en zo doven en ernstig
slechthorenden beter kunnen laten horen - JE.], maar daar heb ik me niet veel
mee beziggehouden. Ik heb veel gelezen, gefilosofeerd en nagedacht over wat er
zich afspeelt in de cochlea. Maar pas na mijn
emeritaat heb ik experiment en theorie kunnen combineren. Daar ben ik nog
steeds mee bezig.’
Dobro jutro
‘Dat betekent goedemorgen, in het Servo-Kroatisch.
Ik heb in mijn leven elf talen bestudeerd – wat niet wil zeggen dat ik ze
spreek. In het Russisch of het Nieuw-Grieks kon ik
geen echte conversatie voeren. Aan het begin van mijn carrière was ik als
audioloog verbonden aan een school voor doven en slechthorenden. Ik hoorde toen
dat er in Zwitserland een goed tijdschrift werd uitgegeven voor het
dovenonderwijs, in het Italiaans. Dus ben ik Italiaans gaan leren. Omdat er
later een Argentijn bij ons kwam – hij zat tegenover mij – was het handig een
beetje Spaans te spreken. Ik heb toen les genomen. Dat is later goed van pas
gekomen. Ik ben in Spanje op plaatsen geweest waar geen enkele toerist komt. Ik
kletste me er gewoon in.’
Rudolf Escher
‘Rudolf Escher, de
beroemde Nederlandse componist, had een bepaald idee over processen in het oor.
Die processen zouden gemaakt hebben dat onze muziek is geworden zoals die is
geworden. Daar zocht hij bewijs voor en zo kwamen we in contact. In die periode
heb ik ook compositieles van hem gehad. Op zijn zestigste verjaardag is er bij
hem thuis een compositie van mij gespeeld: een stuk voor fluit solo. Escher had één noot veranderd. Dat was logischer volgens
hem. Ik was het niet helemaal met hem eens, maar ja. Escher
en ik hebben het uitvoerig over zijn idee over het oor gehad, maar uiteindelijk
hebben we een beetje ruzie gekregen. Ik was ervan overtuigd dat, waar hij aan
dacht, uiteindelijk hersenprocessen zijn, geen specifieke verschijnselen in het
binnenoor.’
Haiku
‘Ik zeg wel eens gekscherend dat ik alle kunsten heb beoefend, behalve
het schrijven van een roman. Ik heb een aantal wiskundetheorema’s geformuleerd,
ook dat is creatief werk. Je bent aan het peinzen en peinzen, en dan opeens
breekt het inzicht door en schrijf je het op. Zo ging het ook met de haiku die
ik heb geschreven [Een Japanse dichtvorm van drie regels met vijf, zeven en
weer vijf lettergrepen - red.]. Het mooie aan een haiku is dat het ‘geserreerd’
is: je moet het geconcentreerd, met zo weinig mogelijk woorden, zeggen. Direct,
maar ook poëtisch en met een bepaald gevoel. Ik hou van poëzie, maar veel
gedichten zijn mij te wijdlopig. Ik vind dit zelf wel een mooie haiku:
Onverwacht weerzien
En opnieuw die verbazing
Wat is zij toch mooi.
Marterhaar
‘Als je met een marterharen penseel schildert, moet je in één grote
streek neerzetten wat je wilt uitdrukken. Ik werk niet vaak met zo’n penseel,
misschien is mijn techniek daar niet goed genoeg voor. Waarschijnlijk vanwege
mijn ongedurigheid heb ik gekozen voor aquarel en niet voor olieverf. Een
aquarel moet binnen vijf kwartier af zijn, anders is die per definitie niet
goed. Schilderen heeft altijd al een belangrijke rol gespeeld. Vroeger gingen we
veel met de boot weg. Dat vond ik niet zo leuk, dus maakte ik lange
wandelingen, terwijl mijn ouders voeren. Onderweg tekende ik. Schilderen is net
als haiku schrijven of componeren: het ordenen van materiaal. Een compositie
bestaat uit vormen, restvormen en nevenvormen, die je op een bepaalde manier
rangschikt. In een schilderij vormen een paar streepjes een entiteit, net zo
goed als een muzikaal thema.’
Emeritaat
‘Een emeritaat is vooral het beëindigen van een formele positie. Ik had
me voorbereid op mijn emeritaat in 1993 door twee jaar tevoren op een
conferentie in Carcans, bij Bordeaux, rond te kijken
met wie ik later zou willen samenwerken. Er was een aantal raadsels ontstaan in
de cochleaire mechanica en het werd tijd daar
aandacht aan te besteden met zowel experimenten als theorieën. Ik zat op het
puntje van mijn stoel om er iets aan te gaan doen. Daarvoor had ik iemand nodig
met een laserinterferometer, een instrument waarmee
je uiterst kleine bewegingen in het binnenoor kunt meten. Dat is van groot
belang voor het inzicht in de processen in het oor. In Carcans
ontmoette ik Alfred Nuttall, een Amerikaanse ‘bio-engineer’ en onderzoeker. Hij had zo’n interferometer. Met hem ben ik gaan samenwerken; ik doe de
theorie, wij samen, met zijn medewerkers, de experimenten.’
Alfred Nuttall
‘Met de laserinterferometer was Fred een
pionier. Hij zocht emplooi voor zijn instrument en dacht aan een jonge
promovendus. Toen kreeg hij mij, een oude, gepensioneerde professor uit
Amsterdam. Fred is a jack of all trades, hij
is breed ontwikkeld. Nu is hij is directeur van het Oregon
Hearing Research Center, een groot laboratorium in Portland, Oregon. Onze samenwerking is bijzonder vruchtbaar. Hij is
een andere persoonlijkheid, iets stugger, minder wispelturig, maar we inspireren
elkaar. Ik wil de dingen vaak op mijn manier doen. Ik ben een behoorlijke loner en heb moeite met delegeren. In die geest mag
je me eigenwijs noemen. Maar wij hebben niet vaak ruzie. De meeste van onze
artikelen zijn gezamenlijk. We zijn een erkend koppel.
In het begin ging ik twee keer per jaar een paar weken naar Amerika. Nu
is dat een keer per jaar. Als ik in de VS ben, woon ik meestal bij hem en zijn
vrouw Bonnie. Als we een experiment doen, komen we
vaak laat thuis. Dan eten we om half elf en de volgende morgen staan we om half
zeven weer op. Dat deed ik vroeger rustig drie keer per week, maar nu niet
meer.’
Natuurijs
‘Ik ben van oorsprong een Fries. Mijn ouders spraken Fries met elkaar en
Nederlands met mij. Ik heb wel in het Fries geschreven – en een toneelstuk
gemaakt. Zoals de Friezen zijn: als het winter was en er lag ijs, gingen mijn
ouders een tocht maken. En of ik nu zeven jaar was of twaalf, ik moest mee.
Toen mijn dochter groter werd, heb ik veel met haar geschaatst. Samen reden we
honderden kilometers per seizoen.
Als er natuurijs was, ging ik soms onder werktijd schaatsen – ik werkte
grotendeels voor mijzelf of thuis. Ik werkte zo’n 72 uur per week, dan kun je
er wel een paar uurtjes tussenuitgaan. Op een keer was ik aan het tellen: op
donderdagochtend was ik al aan mijn zestigste uur bezig. Er is iets mis, dacht
ik toen. Mijn dochter heeft later wel eens gezegd: “Pa, je was er nooit.” Ze
heeft gelijk. Maar spijt daarover? Ik heb er nooit over nagedacht. Je kunt het
toch niet terugdraaien en wat heb je aan spijt? Ik ben nu socialer. Ik werk
niet zoveel meer en neem mijn rust. Daarom schiet ik ook wat langzamer op in
mijn werk.’
Tachtig
‘Ik heb me nooit iets afgevraagd over die leeftijd. Iedereen vindt dat
je dan een keer moet ophouden met werken. Nou, dat vind ik niet. Ik ben nog
redelijk gezond. Dat is een kwestie van geluk hebben en veel sporten. Het
belangrijkste is nu dat het brein nog werkt. Ik zou het leuk vinden nog een
keer iets te voorschijn te hengelen in de wiskunde. Maar ook mijn vak, de cochleaire mechanica, is op dit moment heel spannend. Er is
iets geheel nieuws ontdekt; een heel gek fenomeen met bepaalde golven in het
binnenoor. Hoe dat kan, begrijpen we niet. We kunnen het met de wiskunde, de
natuurkunde en het gezonde verstand nog niet verklaren.’
Afscheid
‘Ik zie het symposium voor mijn tachtigste verjaardag niet als een
afscheidssymposium. Hoogleraren houden een afscheidsrede en dan houden ze ermee
op. Ik niet. Ik ga gewoon door.’
Verschenen in Status 13, oktober 2008
© Jasper Enklaar - www.jasperenklaar.nl